Afwerking schuurbehandeling
Dit onderwerp is eerder behandeld bij de verschillende soorten parket. In dit hoofdstuk worden algemene richtlijnen gegeven voor de behandeling voor onbehandelde parketvloeren. Schuur een onbehandelde vloer in drie gangen met een toenemende korrelfijnheid. Vergroot de fijnheid tussen schuurgang 1 en schuurgang 2, en tussen schuurgang 2 en schuurgang 3, met ten hoogste een verdubbeling van korrelfijnheid. Ga in schuurgang 1 uit van ten minste korrel (fijnheid) 40.

Voor de eerste schuurgang gebruik je korrel 40 of korrel 60, voor schuurgang twee korrel 80, voor schuurgang drie korrel 120 of 180. Je mag van deze korrelvoorschriften afwijken als de leverancier van de aan te brengen afwerklaag anders voorschrijft. Het fijne schuurstof van de schuurgang drie is geschikt om de vloer kleurecht te voegen. Vaak wordt hiervoor het schuurstof van de kantenschuurder gebruikt. Schuur een strokenvloer in de eerste schuurgang onder een duidelijke hoek ten opzichte van de richting waarin de stroken zijn gelegd. Schuur een patroonvloer in de eerste schuurgang onder een duidelijke hoek ten opzichte van de legrichting van de in het patroon gelegde elementen.

Bij een strokenvloer en een patroonvloer schuur je in de tweede en derde schuurgang, zoveel mogelijk in de richting van de houtnerf. Schuur een patroonvloer in een vierde (extra) schuurgang met een roterende schuurmachine en houd bij het schuren van kanten het schuurschema aan dat voor de rest van de vloer is gebruikt. Stop spijkergaatjes en andere storende oneffenheden. Dicht naadjes of voegen tussen afwerkvloerelementen met een geschikt voegmiddel, waarin het fijne schuurstof (minimaal korrelfijnheid 120 of hoger) is vermengd met een voegmiddel. Voeg tweemaal om het inzakken van het voegsel te corrigeren.

Legcapaciteit parketteur: Geeft een indicatie aan hoeveel een legger per dag kan leggen om goed en gezond te werken. ‘’minder kansen op klanten’’